De wijze lessen en adviezen van Jan van Eijk

De 2021 ASPE Lifetime Achievement Award die Jan van Eijk vorig jaar ontving, vormt het symbolische einde van de actieve carrière van een van de motoren achter de Nederlandse mechatronica-industrie in de afgelopen decennia. In deel 2 van een uitgebreid vraaggesprek kijkt Van Eijk terug en geeft hij een aantal waardevolle adviezen voor de Nederlandse hightechindustrie. ‘Het is cruciaal om het netwerk in stand te houden en te blijven voeden.’

Alexander Pil
23 maart

In Nederland kloppen we onszelf graag op de borst hoe goed we wel niet zijn in mechatronica en precisietechnologie. Zijn we echt van wereldniveau of is het Nederlandse arrogantie?

‘Ik vind dat we daarover niet al te bescheiden hoeven zijn. Er is in elk geval weinig arrogantie aan want er zijn genoeg punten waarmee je dat kunt illustreren. Niet alleen qua kennis maar ook qua industriële toepassing hebben we een grote voorsprong opgebouwd ten opzichte van de rest van de wereld. De machines van ASML zijn daar een schitterende demonstratie van, maar ook de transmissie-elektronenmicroscopen van Thermo Fisher zijn technische hoogstandjes die in de wereld hun gelijke nauwelijks kennen. En het komt allemaal uit hetzelfde netwerk, dezelfde gemeenschap van mensen die samen de technologie naar een hoog niveau hebben gestuurd.’

Jan van Eijk
‘De bereidheid, of zelfs de verplichting, om kennis te delen in het netwerk is cruciaal’, vindt Jan van Eijk.

Hoe hebben we die positie verworven?

‘De basis daarvan ligt bij Philips en het Natlab. De opticakennis die daar is opgebouwd, vormt een belangrijk pijler. Ook de machinebouw- en mechanicacapaciteiten spelen een grote rol, net als alle knowhow rond de constructieprincipes waarvan Wim van der Hoek aan de basis stond. In de kern draait het om het Natlab, waar mensen op hoog niveau wetenschappelijk onderzoek konden doen en dat koppelden aan de implementatie in een praktische toepassing. Vooral dat laatste is doorslaggevend geweest, plus het feit dat die kennis is gedeeld met anderen en we zo een ecosysteem hebben opgebouwd.’

‘Die bereidheid, of zelfs de verplichting, om te delen is cruciaal. Een schitterend voorbeeld zijn de fameuze donderdagochtendvoordrachten op het Natlab. Onderzoekers legden daar aan de rest van het lab uit wat ze aan het doen waren, en wat hun plannen en ambities waren. En dan ging het niet alleen over welke geweldige successen ze hadden geboekt, maar juist ook wat ze naar de toekomst wilden doen. Medewerkers waren verplicht om erbij aanwezig te zijn, en zo ontstond een kruisbestuiving in een samenwerkende omgeving. Collega’s die vrijwel niks met een vakgebied te maken hadden, stelden toch vragen. Die nieuwsgierigheid om van elkaars vak kennis te nemen, heeft ertoe geleid dat we niet alleen de capaciteiten opbouwden, maar die kennis ook met een grotere groep deelden, en elkaars vakgebied leerden waarderen en respecteren.’

‘Een ander voorbeeld is het BM Landjuweel, waar jaarlijks de honderdvijftig meest vooraanstaande mensen binnen Philips Bedrijfsmechanisatie bijeenkwamen om aan elkaar te vertellen wat ze hadden geleerd en waar het fout was gegaan. Het was een eer om daarbij aanwezig te mogen zijn.’

‘Toen BM midden jaren tachtig in het verdomhoekje kwam, stopten die Landjuwelen. Ze werden opgevolgd door jaarlijkse Philips-conferenties die afwisselend over regeltechnische en mechanische onderwerpen gingen. Met hetzelfde doel: contacten leggen en technische informatie uitwisselen. Inmiddels is die rol overgenomen door onder meer DSPE en het opleidingsaanbod van Mechatronics Academy en High Tech Institute.’

Is de regio zich voldoende bewust van de noodzaak van kennisdeling?

‘Zeker in economisch moeilijke tijden is het lastig om mensen te overtuigen dat je zulke bijeenkomsten wellicht zelfs twee keer per jaar moet organiseren, want het is essentieel om dat netwerk in stand te houden en te blijven voeden. Het is een van de kernwaarden die sinds de Casimir-tijd binnen Philips een opdracht is voor alle leidinggevenden. Nu is Philips lang niet meer zo’n centrale speler, maar de filosofie zit behoorlijk diep verankerd in onze gemeenschap. De kunst is om de continuïteit te waarborgen in de waan van de dag dat er geld moet worden verdiend. Dat vereist wel wat inspanning. Ik denk dat het voldoende is ingebed, maar mij is wel vaker verweten dat ik te naïef ben.’

De laatste jaren heeft ASML de dominantie van Philips overgenomen. Hoe verhouden die partijen zich, het Philips van toen versus het ASML van nu?

‘In tegenstelling tot Philips is ASML een monobedrijf, gericht op één applicatieveld. Dat is een groot verschil. Binnen het oude Philips ontstonden vragen uit allerlei werkvelden die vaak berustten op dezelfde basisproblematieken. Vanuit een gespecialiseerd kenniscentrum kon je daardoor prima oplossingen verzinnen voor zowel elektronenmicroscopen als plaatsingsmachines voor discrete componenten.’

‘Vanuit Philips heb ik in het verleden voor ASML voorontwikkelwerk gedaan. Innig verbonden en toch onafhankelijk. Dat werkte heel goed. We kregen een zak geld en konden daarmee doen wat we wilden. We hadden een slagvaardige organisatie die zich niets hoefde aan te trekken van de dagelijkse problematiek binnen ASML. Als daar brand was, ging de sirene en moesten alle ASML’ers opdraven. Maar bij Philips hing geen sirene; wij konden rustig doorwerken aan hun volgende probleem. Planaire motoren zijn daar een mooi voorbeeld van. In eerste instantie zag ASML daar niets in, maar we zijn er gewoon mee begonnen. Toen ze een jaar later zagen wat we hadden ontwikkeld, werd het gelijk uit onze handen gegrist omdat die motoren snel in allerlei machines moesten komen.’

‘ASML moet niet arrogant worden omdat het ergens de beste in is. De organisatie is in mijn ogen snel aan het bureaucratiseren.’

‘Het huidige ASML is gigantisch groot. Ik heb al vaker gezegd dat ze in Veldhoven moeten oppassen dat ze geen Big Blue worden. Dat het net als IBM sommige takken gaat verwaarlozen. ASML moet niet arrogant worden omdat het ergens de beste in is. De organisatie is in mijn ogen snel aan het dichtgroeien en bureaucratiseren. Als ze niet oppassen, slibt het straks dicht met te veel mensen die er alleen zitten om hun eigen baantje te behouden. Als ASML in die valkuil stapt, wordt het heel moeilijk om de technische gedrevenheid overeind te houden.’

‘Als buitenstaander ben je volledig kansloos als je een verbetervoorstel doet. Intern zijn er zo veel deskundigen op allerlei gebieden dat er gelijk een heel leger voor je staat om uit te leggen waarom dat helemaal niet kan. Voor een innovator zoals ik is het daarom geen leuke organisatie om voor te werken; ik krijg er in elk geval geen energie van. Aan de andere kant: de successen van ASML dulden geen tegenspraak.’

AI niet zaligmakend

Nederland loopt dus voorop in mechatronica en precisietechnologie, maar we zijn te klein om alles te doen. Op welke markten en sectoren zou Nederland zijn pijlen moeten richten?

‘Er liggen in de machinebouw voor fotonica heel interessante mogelijkheden. Een nieuwe wereld die aanschurkt tegen de productiemachineproblematiek die we in bestaande systemen al oplossen. Met veel dezelfde bedrijven kunnen we een positieve bijdrage leveren en een deel van de economische activiteit naar Nederland trekken. Daarbij moeten we overigens niet proberen het productiecentrum te worden. Niet mikken op het Samsung of TSMC in de fotonica. De focus moet liggen op de ontwikkeling van apparatuur voor die sector.’

‘Een andere sector waarin we ook kunnen profiteren van de opgebouwde technologiebasis is robotica. De voetballende robots zijn daar een leuke uiting van, maar we hebben echt een stevige basis om daar hoge ogen te gooien. Denk aan medische en chirurgische robots want daar zit ook die hightech precisiecomponent in.’

Zou automotive ook wat zijn? Onder meer rond Helmond zitten heel wat bedrijven die op die markt opereren.

‘Ik weet niet of Nederland groot genoeg is om daar een trekkende rol in te spelen. Grootmachten zoals Bosch en de autofabrikanten zelf zijn heel dominant. We kunnen met slimme innovaties zeker onze bijdragen leveren, maar een grote industriële rol is niet voor ons weggelegd. We hebben daar wellicht de boot gemist. Maar zelfs als we twintig jaar geleden alles op alles hadden gezet, vraag ik me af of we in de regio voldoende menskracht bij elkaar hadden kunnen krijgen. We kunnen in Nederland niet nog een bedrijf van ASML-formaat dragen.’

En artificial intelligence?

‘Dat is voor mij vooral een buzzword, net als mechatronica dat 35 jaar geleden was. Je kunt er geld mee binnenhalen, maar we moeten vooral met beide benen op de grond blijven staan en niet verwachten dat alle problemen de wereld uit zijn als we AI gebruiken. Daar geloof ik niet in. AI is een interessante tool waaruit je zeker waarde kunt halen, net als uit cad en eindige-elementenmethodes. Ik denk dat AI waardevolle inzichten kan opleveren die je beter laten begrijpen wat er nou eigenlijk gebeurt. Daarmee kun je apparaten slagvaardig verbeteren. Als je alleen datagebaseerde optimalisaties doet, dan boek je slechts een beperkte winst. Maar als je begrijpt wat het probleem is, kun je tot nieuwe concepten komen. Hoe dan ook is AI zeker niet zaligmakend.’

Op afstand

De toekenning van de 2021 ASPE Lifetime Achievement Award afgelopen november tekent ongeveer het einde van je actieve carrière. Wat wil je nog doen?

‘Mechatronics Academy geeft regelmatig leuke trainingen in Azië of Amerika. Als er een leuke locatie voorbijkomt, waar ik weer live naartoe kan, doe ik graag mee. Bedrijven kunnen ook altijd aankloppen als ze innovatieve oplossingen zoeken. Dan schuif ik graag aan om in de voorfase mee te denken. Na een half jaar ben ik waardeloos want dan zit ik alleen te vertellen dat het beter had gekund. En als engineers met hun handen in het haar zitten omdat hun machine het niet doet en ze geen idee hebben hoe dat komt, vind ik het leuk om mee te denken. Wellicht kan ik ze helpen. Niet omdat ik het beter weet, maar omdat ik van een afstandje de juiste vragen stel die helpen het inzicht te verkrijgen.’

‘Verder verandert er eigenlijk niet zo veel. Net als de afgelopen tien jaar ga ik heel regelmatig op vakantie. Met de camper door Europa of naar de VS. Verder golf ik en speel ik bridge. Dat kan ik nog heel lang blijven doen.’