Eindhoven Engine draait om colocatie

Na twee jaar van voorbereiding schiet Eindhoven Engine maandag uit de startblokken. Het initiatief moet innovatie in de Brainport – en daarbuiten – een boost geven. Cruciaal daarbij is dat ingenieurs uit de industrie en wetenschappelijke researchers schouder aan schouder aan baanbrekende ontwikkelprojecten werken.

Alexander Pil
15 april

Vandaag is de officiële aftrap van Eindhoven Engine. Het initiatief van Fontys, TNO en de TU Eindhoven heeft als doel om researchprojecten te versnellen, door een plek te bieden waar wetenschappelijke onderzoekers en studenten samen met industriële engineers grensoverschrijdend en disruptief kunnen innoveren. De eerste projecten zijn al van start gegaan, onder meer rondom slimme mobiliteit, nieuwe waferstages, detectie- en behandelingstechnieken voor hart- en vaatziektes, en slimme steden.

Drijvende kracht achter Eindhoven Engine is TUE-hoogleraar Maarten Steinbuch, die zegt te zijn geïnspireerd door drie ervaringen uit zijn carrière. ‘In de jaren negentig werkte ik op het Natlab. Ik zag daar dat er tussen de verschillende disciplines geen grenzen bestonden. We spraken elkaar bij de koffie en we deelden onze vorderingen en ideeën tijdens de befaamde donderdagochtendmeetings. Sinds Philips Research dramatisch is verkleind, heeft er een verzuiling plaatsgevonden omdat veel activiteiten van het vroegere Philips inmiddels in aparte bedrijven zijn ondergebracht. Hierdoor is er slechts beperkte inhoudelijke interactie; wellicht alleen als ze toevallig in een consortium samenkomen. Smart mobility praat niet met hightech machinebouw, praat niet met healthcare, praat niet met smart homes.’ Een Natlab 2.0, dat is een van de basisgedachtes achter Eindhoven Engine.

Steinbuchs tweede inspiratiebron is de succesvolle Kenniswerkersregeling. Je herinnert je het vast nog wel. Zo’n tien jaar geleden, tijdens de Grote Crisis, stak het ministerie van Economische Zaken de hard getroffen hightechindustrie een financieel hart onder de riem. Binnen de Kenniswerkersregeling konden bedrijven hun r&d-werknemers tijdelijk flink gesubsidieerd detacheren bij een kennisinstelling om te werken aan onderwerpen die zowel voor het bedrijf als de maatschappij relevant waren. Zodoende werd ontslag voorkomen en reed personeelstekort het economisch herstel niet in de wielen.

‘Het voorbeeld dat ik altijd aanhaal, is dat we bij ons op de faculteit een ruimte hadden vrijgemaakt waar vijftien ingenieurs van Daf en zijn toeleveranciers kwamen te zitten. Samen met de onderzoekers uit mijn groep hebben ze in anderhalf jaar de allereerste hybride truckaandrijving ontwikkeld’, vertelt Steinbuch. ‘Het was geweldig inspirerend om die praktijkervaring binnen te halen. En andersom was het voor die engineers een enorme stimulans om zo dicht tegen het fundamentele onderzoek aan te zitten. Ze voelden zich inhoudelijk weer helemaal opgefrist.’

De derde motivatie is de onderzoekcultuur op de universiteitscampus. ‘We hebben een gouden asset: onze jonge studenten en researchers die op een creatieve manier innoveren. Kijk naar Storm, het studententeam dat een elektrische motor bouwde en er vervolgens de wereld mee rond reed. Grote organisaties zetten nu al regelmatig kleine teams op die de opdracht krijgen om het moederbedrijf te disrupten. Zo’n clubje zit niet vastgeroest en kan daardoor sneller itereren en vrij innoveren.’

Colocatie

Die drie elementen – Natlab, de Kenniswerkersregeling en de studententeams – vormen de basis voor Eindhoven Engine. ‘Colocatie is daarbij het sleutelwoord’, stelt Steinbuch. ‘Trek de engineers los uit hun eigen organisatie en laat ze hier op de campus in alle vrijheid parallelle paden bewandelen. Samen met studenten, promovendi en pdeng’ers van de TUE, en onderzoekers van Fontys en TNO.’ Want Eindhoven Engine moet zeker geen TUE-feestje worden, benadrukt Steinbuch. ‘We staan open voor onderzoekers van andere kennisinstellingen.’

Inspiratiebronnen voor Eindhoven Engine zijn de beroemde Natlab-cultuur, de succesvolle Kenniswerkersregeling en de creatieve jonge onderzoekers op de universiteit.

Colocatie, dat is toch niets nieuws? ‘Gelukkig niet’, antwoordt Steinbuch. ‘Vaak zie je bij andere initiatieven echter dat of de wetenschappers of de engineers de boventoon voeren. In Eindhoven Engine halen we de engineers uit hun bedrijf en zetten ze minstens een paar dagen per week samen met onze onderzoekers. Dat is een unieke propositie waarvan we gaan ontdekken of dat inderdaad de meerwaarde heeft die we verwachten. We zullen leren en ons aanpassen al naargelang onze ervaringen.’

Hoe verhoudt Eindhoven Engine zich tot het High Tech Systems Center? Het mechatronicacentrum van de TUE opereert immers ook op het grensvlak van industrie en universiteit. ‘Het HTSC werkt uitstekend als single point of contact voor het bedrijfsleven’, zegt Steinbuch. ‘We doen er challenge-based onderzoek met een sterke multidisciplinaire component. Het is intern gericht op promovendi. Naast de uitbreiding naar colocatie is Eindhoven Engine grootschaliger, meer projectmatig en niet louter gefocust op hightech machinebouw. Ook zullen er, zeker op termijn, vooral pdeng’ers en studenten werken. Die zitten net wat dichter tegen de praktijk aan.’

Honderd miljoen

Financieel krijgt Eindhoven Engine steun uit de Brainport Actieagenda. Per project is er maximaal een half miljoen euro beschikbaar. Deelnemende bedrijven of consortia worden geacht een bijdrage te doen – bestaande uit cash, mensen en apparatuur – zodat het totale budget, inclusief TKI-toeslag, uitkomt om zo’n drie miljoen euro per project.

Het Multi Media Paviljoen op de TUE-campus biedt nu plek aan vier tot zes projecten. De ambitie is om binnen vijf jaar door te groeien naar ongeveer vijfhonderd mensen, eerlijk verdeeld over het bedrijfsleven en de kennisinstellingen. Ambitieus, maar Eindhoven Engine heeft de komende vier jaar een budget van bijna honderd miljoen euro dus onmogelijk is het niet. Overigens staan al die onderzoekers niet op de loonlijst van Eindhoven Engine; ze worden betaald door het bedrijf waar ze werken of de kennisinstelling waarbij ze zijn aangesloten.

Van de 130 miljoen euro rijkssteun aan Brainport gaat er vijftien miljoen naar Eindhoven Engine.

Naast Steinbuch is Clement Goossens nauw betrokken geweest bij de eerste fase van Eindhoven Engine. Als eerste directeur was hij met zijn team verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het centrum dat vandaag wordt opgeleverd. Nu doet Goossens een stapje terug en geeft hij het stokje over aan Katja Pahnke, die de nieuwe directeur wordt. Zij gaat samen met Steinbuch de kar trekken. Daarbij krijgen ze ruime steun uit de industrie via een adviesraad met vertegenwoordigers van onder meer ASML, NTS, NXP, Philips, Signify en VDL.

Exportproduct

Om te beginnen richt Eindhoven Engine zich op de Brainport. ‘Als het concept werkt, zal het een impact hebben op de hele regio’, verwacht Steinbuch die echter grotere plannen heeft. ‘We starten nu met de TUE-locatie van Eindhoven Engine. Dat is hub 1. De komende jaren willen we ontdekken hoe het initiatief werkt en hoe we het vervolgens kunnen exporteren. We ambiëren een samenwerking met de Brainport Industries Campus, zeg maar hub 2. En met de Automotive Campus in Helmond, hub 3, het Maxima Medisch Centrum, hub 4, en de High Tech Campus, hub 5. We kunnen het ook prima uitrollen naar andere innovatieclusters in Nederland en Europa. Er is nu al veel interesse vanuit het buitenland om te kijken hoe onze ideeën kunnen worden vertaald. Maar eerst zelf alles op de rit hebben.’

Hoofdfoto: Eindhoven Engine/Bart van Overbeeke