Hèhè

Paul van Gerven

23 mei

Het voelt als een eeuwigheid, de tijd dat technici hebben moeten wachten op een beetje aandacht en erkenning uit Den Haag. Maar met de publicatie van het advies van de commissie-Van Rijn krijgen de tu’s dan eindelijk die aai over de bol.

Paul van Gerven is redacteur bij Mechatronica&Machinebouw.

Het dossier van overbelaste tu’s lag zo’n beetje de gehele ambtstermijn op het bureau van de vorige minister van Onderwijs, Jet Bussemaker, maar die zag het probleem niet zo. Om herhaling te voorkomen, traden de tu’s tijdens de formatiebesprekingen in 2017 naar buiten. Zij luidden in het openbaar de noodklok over hun precaire financiële positie en noodgedwongen invoering van studentenstops, terwijl de tekorten op de technische arbeidsmarkt alarmerende proporties dreigden aan te nemen.

De noodkreet had succes: het kabinet-Rutte III beloofde in het regeerakkoord de financiële problemen bij de technische wetenschappen te adresseren. Maar eerst moesten de Haagse rituelen worden doorlopen. Uit de opdracht die minister Van Engelshoven gaf aan de commissie-Van Rijn bleek al hoe zij te werk wilde gaan: de financiering van het hoger onderwijs moest budgetneutraal worden herzien. Dan weet je: als de bèta’s meer moeten krijgen, blijft er minder over voor de alfa’s en gamma’s.

Nu de commissie haar werk heeft afgerond, weten we hoeveel er wordt geschoven. In het totaalpakket van maatregelen dat Van Rijn voorstelt, wordt er 70 miljoen euro overgeheveld van de algemene naar de technische universiteiten. Eerder werd bovendien via de zogeheten sectorplannen 60 miljoen euro toegezegd aan het universitaire bètaonderwijs (dus niet alleen de tu’s).

DSPE Optics Week

Daarbij komt nog de overheveling van 100 miljoen euro NWO-onderzoeksgeld naar de universiteiten (eerste geldstroom). In zijn algemeenheid zorgt dit ervoor dat onderzoekers iets minder hoeven te concurreren om onderzoeksgeld en dat universiteiten iets meer ruimte krijgen om externe onderzoeksbeurzen aan te vullen die niet alle kosten dekken. Dat laatste speelt bij de tu’s sterker dan gemiddeld, omdat technische onderzoekers vaker buiten de deur geld ophalen.

De vraag is natuurlijk of 100 miljoen zoden aan de dijk zet als er via de sectorplannen meer onderzoekers komen die ook allemaal geld nodig hebben (voor het onderwijs zijn deze mensen overigens hard nodig). Ook hangt er veel af van details. Gaat het bedrag bijvoorbeeld af van het NWO-budget geoormerkt voor topsectoren?

Hoe dan ook, de tu’s krijgen veel minder dan waar ze om hadden gevraagd. Ze wilden 250 miljoen euro per jaar extra op korte termijn, en 450 miljoen euro per jaar op lange termijn. ‘Een stap in de goede richting’ – meer wilde de 4TU er in dit stadium niet over kwijt aan dit magazine.

De algemene universiteiten klommen echter direct in de gordijnen. Met een begrotingsoverschot van 11 miljard euro is er inderdaad geld genoeg om iedereen ter wille te zijn. Minister Van Engelshoven heeft al gehint op ‘een zachte landing’ in de Voorjaarsnota.

De hele exercitie lijkt zodoende op het eerste gezicht toch wat teleurstellend uit te pakken. Twee jaar om met bescheiden bedragen te schuiven, en dan de slachtoffers alsnog compenseren.

Dat gaat echter voorbij aan de overkoepelende visie die aan het rapport-Van Rijn ten grondslag ligt. Er is echt een nieuwe denkrichting ingeslagen: de overheid moet meer sturend durven optreden in studiekeuze. Door universiteiten per student af te rekenen, is het huidige stelsel vooral ingericht op groei – zonder dat het uitmaakt of de opleidingen mensen afleveren waar de arbeidsmarkt op zit te wachten. En dus werden leuke nieuwe studies opgetuigd, buitenlandse studenten aangetrokken met Engelstalig onderwijs en glanzende folders gedrukt. Van Rijn schaft de vrije keuze niet af, maar adviseert wel om studies te stimuleren waar de Nederlandse economie behoefte aan heeft en studies met overtallen op de arbeidsmarkt af te remmen.

Als die zienswijze beklijft – de minister noemde het rapport ‘een puik stukje werk’ – beginnen we eindelijk de goede richting in te bewegen. Met negen van de tien techniekbedrijven die in 2022 met onvervulbare vacatures te maken krijgen, is het rapport-Van Rijn hopelijk het startschot waar de technische sector al jaren op zit te wachten.