‘Smart Industry is de banenmotor voor Nederland’

Industrie 4.0, Smart Industry, factory of the future, allemaal termen voor dezelfde beweging die niet alleen de maakindustrie op haar kop zet maar de hele economie zal beïnvloeden. Mechatronica&Machinebouw strikte een aantal kopstukken voor een groepsdiscussie over het thema. ‘Er is geen sector die eraan kan ontkomen.’

Alexander Pil
19 maart 2015

‘Smart Industry is de verdere digitalisering van de productie. De verstrengeling van it en productie’, opent Ineke Dezentjé Hamming-Bluemink van FME het gesprek over het meest besproken onderwerp van de afgelopen twee jaar in de industriële automatisering. ‘Waarom is Smart Industry relevant? Omdat het tegemoetkomt aan een belangrijke wens vanuit de markt: het leveren van maatwerk. Bovendien zorgt Smart Industry ervoor dat je foutloos en sneller kunt produceren.’ Het idee is een spin-off van het Duitse Industrie 4.0. ‘Onze oosterburen zijn inderdaad eerder begonnen, maar nu kijken ze met enige jaloezie en grote bewondering naar ons. De Duitsers vinden dat we het ongelooflijk snel hebben opgepakt en gerealiseerd. Het kabinet heeft het omarmd en het wordt nu gewoon uitgevoerd.’ Egbert-Jan Sol van TNO vult aan: ‘Een opvallend verschil is dat het in Duitsland top-down is gegaan en in Nederland bottom-up. Het Nederlandse bedrijfsleven is de motor achter Smart Industry.’

Deelnemers discussie vlnr: John Blankendaal, directeur van Brainport Industries en trekker van twee Fieldlabs; Ineke Dezentjé Hamming-Bluemink, voorzitter van ondernemersorganisatie FME, voorzitter van het Forum Smart Industry, en voorzitter van de Stuurgroep Smart Industry; Rob Karsmakers, sitemanager Philips Consumer Lifestyle Drachten en lid van het Forum Smart Industry; René Raaijmakers, directeur Techwatch; Alexander Pil, hoofdredacteur Mechatronica&Machinebouw; Egbert-Jan Sol, directielid van TNO Industry en onderdeel van het Programmabureau Smart Industry; en Dennis van Beers, adjunct-directeur Festo Nederland. Foto: Bart van Overbeeke

Nederland heeft een goede uitgangspositie om Smart Industry tot een succes te maken, denkt Dezentjé. ‘In een recent interview stelde een journalist van Business Week dat Nederland mijlenver achterligt op Duitsland als het gaat om ict. Dat heb ik gelijk even ontkracht. Wij hebben de beste it-infrastructuur van Europa. Dat is een belangrijke voorwaarde voor Smart Industry. Het gaat immers om het internet of things, robots die met elkaar communiceren, over big data en de snelheid daarvan. Natuurlijk is zo’n voorsprong altijd maar tijdelijk, maar het is een prima begin.’

Ze gaat verder: ‘Smart Industry is een megashift in onze samenleving. Het komt er niet aan, we zitten er middenin. Smart Industry is de groeimotor van Nederland, het pepmiddel van de Nederlandse maakindustrie. Het geeft ons de kans om meer werk naar Nederland te halen, de maakindustrie in Nederland te houden en onze economie te laten groeien. Het is een banenmotor. Iedereen gaat ermee te maken krijgen. In de zorg, in de agro en in de offshore, overal word je geconfronteerd met technologie en Smart Industry. Tien Fieldlabs zijn al van start gegaan en er staan er nog eens veertig in de wacht. Er is geen sector die eraan kan ontkomen.’

Vernetten

John Blankendaal van Brainport Industries kijkt met een andere bril naar Smart Industry. ‘Soms lijkt het oude wijn in nieuwe zakken. Volgens mij zijn we namelijk al ruim tien jaar bezig met Smart Industry, alleen noemde niemand het zo. Rond 2000 kopten de kranten dat er geen toekomst was voor de maakindustrie in Nederland en dat alles naar lagelonenlanden zou vertrekken. Een aantal bedrijven, ondersteund door regionale ontwikkelingsmaatschappijen, realiseerde dat er iets moest veranderen. Via onder meer T&U-projecten en het Make-programma van de Brabantse Ontwikkelingsmaatschappij zijn toen de eerste impulsen aan de maakindustrie gegeven. Er gebeurde van alles dat je achteraf gezien onder de paraplu van Smart Industry kunt scharen. De grote kracht van Smart Industry is dat er nu een landelijke agenda ligt en er een duidelijke regie is. Een gedeelde visie die al die verschillende richtingen bundelt en naar een volgende fase brengt. Dat is wat ik de afgelopen tien jaar miste. Nu loopt iedereen met Smart Industry in het vaandel naar voren.’

Dennis van Beers: ‘Open standaarden en open platforms hebben de toekomst.’ Foto: Bart van Overbeeke

Voor Rob Karsmakers, sitemanager van Philips Consumer Lifestyle in Drachten, is Smart Industry een industrieplatform. ‘En onder industrie versta ik zowel productcreatie als productrealisatie. We zijn in Nederland goed in conceptuele innovatie, in product- en procesontwikkeling, maar ook in het maken ervan. Smart Industry probeert dat een breder draagvlak te geven. Tot voor kort werd het verdienmodel van Nederland nauwelijks gekoppeld aan de maakindustrie. Naast de technische kant zit er ook een emotioneel aspect aan Smart Industry. We moeten namelijk leren om samen te werken over ketens heen. We hebben veel mkb’ers in Nederland maar die zijn niet de dirigent van de waardeketen. Ze zullen met andere partijen moeten optrekken. Smart Industry is voor mij ook het aan elkaar vernetten van bedrijven die elkaar versterken en samen een businesspropositie ontwikkelen. Met het platform proberen we daar een doorbraak in te bereiken. Dat is wat anders dan we de afgelopen tien jaar hebben gedaan.’

Fortunes of High Tech

Hij gaat verder: ‘We moeten weg van de traditionele leverancier-klantrelaties. Het gaat om partnerships waarbij je niet alleen op korte termijn elkaars diensten versterkt, maar waarbij je ook elkaars langetermijnroadmaps over elkaar legt. Voor ondernemers is dat soms best lastig. Het mkb is vaak erg op de korte termijn gericht. Het Smart Industry-initiatief moet het bewustzijn creëren dat de wereld er anders uit gaat zien en samenwerking tot nieuwe kansen leidt. We hebben veel mooie mkb’ers die fantastische producten leveren, maar bijvoorbeeld een ambitieus Samsung, dat verticaal is geïntegreerd, blaast zo iedereen weg. Mkb’ers moeten zich vernetten en zich realiseren dat als ze iets in de keten hebben toe te voegen, ze die positie gezamenlijk moeten verdedigen tegen partijen met meer power. Het bewustzijn en het ambitieniveau zijn vaak nog aan de lage kant. Dat is een bedreiging want grotere of snellere spelers kunnen het zomaar overnemen.’

Open standaarden

‘Van klassiek uitbesteden naar ondernemend samenwerken’, verwoordt Blankendaal het bondig. ‘Kijk, op kosten kunnen we niet concurreren met bijvoorbeeld Azië. We moeten het dus zoeken in toegevoegde waarde, in innovatie. Dat bereik je alleen via samenwerking. Het gaat er niet om dat we risico’s delen, maar dat we samen meer risico’s kunnen nemen. We laten kansen liggen als we het niet doen. Dat vraagt aan de oem-kant om ander gedrag, maar ook bij toeleveranciers moet de knop om. Die werkten volgens het principe ‘u vraagt, wij draaien’ en hielden vervolgens hun hand op.’ Dat is niet meer van deze tijd, vindt Blankendaal. ‘Oude principes als time-to-market en time-to-money gelden nog steeds. Die moet je met elkaar organiseren en dat is een belangrijk onderdeel van die vierde industriële revolutie.’

Dennis van Beers, sinds kort adjunct-directeur van Festo Nederland: ‘Nederland is sterk in de export van machines. Dat is een motor van de industrie, altijd al geweest. Je ziet spelers in allerlei niches die wereldwijd de dienst uitmaken. Die bedrijven worden onder druk van mass customisation gedwongen om vanuit standaard modules systemen te bouwen die inspelen op de vraag van een klant. Dat is een trend die in machinebouwend Nederland sterk speelt. Communicatie is daarbij cruciaal. In de jaren negentig werkte iedereen – ook Festo – met zijn eigen protocollen. Consumenten en klanten accepteren dat op korte termijn niet meer. Open standaarden en open platforms hebben de toekomst. Als je je daar niet aan committeert, mis je de boot.’

John Blankendaal: ‘Oem’s kunnen hun omzet verdubbelen en hun kosten halveren als ze slim samenwerken met hun toeleveranciers.’ Foto: Bart van Overbeeke

Op geluiden dat Smart Industry vooral marketing is, heeft Van Beers een duidelijk antwoord. ‘Dan heb je de essentie van deze beweging niet begrepen. Op commodity krijg je het heel moeilijk op de wereldmarkt. Klanten accepteren geen stand-alone oplossing meer. Andersom willen designers zich niet beperken tot één merk. Dat heeft Festo ertoe bewogen om ook over onze eigen norm heen te stappen. Open samenwerken is voor ons de beste manier om het juiste aanspreekpunt te zijn.’

Samen met conculega’s Bosch Rexroth en Lenze toonde Festo op World of Technology & Science een praktijkopstelling waarin de drie bedrijven ieder hun eigen specialisme en producten inbrachten die via open standaarden met elkaar communiceerden. Op de Duitse hoofdkantoren van de drie bedrijven werd met argusogen naar het project gekeken. ‘Het omarmen van Smart Industry is wat makkelijker voor de Nederlandse industrie omdat die al gewend is om de wereldmarkt als haar platform te zien. Je hoort soms bedrijven die negentig procent van hun omzet uit het buitenland halen. Hoe heb je ooit die positie weten te verwerven, denk ik dan. Daar is Nederland uniek in’, stelt Van Beers.

Werkzekerheid

In haar hoedanigheid als FME-voorzitter praat Dezentjé veel met vertegenwoordigers van grote technologiebedrijven. ‘Ze willen veel meer uitbesteden aan de middelgrote en kleine industrie – het MKI – maar die moet opschalen om überhaupt in het ecosysteem te passen. Ik ben de laatste die zal zeggen dat ondernemers in hun comfortzone blijven zitten, maar als ze dat nu doen en geen oog hebben voor de Smart Industry-beweging in Nederland en Europa, dan zijn ze binnen de kortste keren out of business. Het gevaar is dat drie jongens op een zolderkamer iets ontwikkelen waardoor jouw bedrijf straks overbodig is. Een keer per maand moet je een middag uittrekken om kritisch naar je businessmodel te kijken. Anders loop je echt de kans dat je aan de zijlijn komt te staan.’

‘De grootste bottleneck is voor mij het dreigende tekort aan vakkrachten’, aldus Dezentjé, die benadrukt dat Smart Industry om nieuwe skills vraagt. ‘Op de arbeidsmarkt hebben we mensen nodig die met die veranderingen kunnen omgaan, die creatief denken. Het is uitgesloten dat je vijfenveertig jaar kunt teren op een techniekopleiding. Een leven lang leren is het devies. Je zult je eigen skills op peil moeten houden om employable te zijn.’

‘Als ondernemers nu in hun comfortzone blijven zitten, zijn ze binnen de kortste keren out of business’, waarschuwt Ineke Dezentjé. Foto: Bart van Overbeeke

Dat begint op de basisschool, vindt Dezentjé. ‘Daar moeten ze al leren programmeren. Ja, ze hebben nu al moeite met de rekentoets, maar de wereld verandert. Mijn kleinkind van drie speelt al een jaar met een tablet. Als die straks op de basisschool komt, is digitalisering de normaalste zaak van de wereld. Als we de arbeidsmarkt van de toekomst niet op poten hebben, dan kunnen we de hele agenda wel overboord gooien want dan zijn we geen speler van belang op het wereldtoneel. Met andere woorden: we moeten goed opgeleide vakkrachten hebben.’

Berekeningen laten zien dat er tot 2020 ongeveer twee miljoen jobs zullen verdwijnen. ‘Maar daar komen wel twee tot drie miljoen banen voor terug’, benadrukt Dezentjé. ‘Dat zijn andere banen met andere skills. Je moet dus nu opleiden voor banen waarvan je nog niet precies weet wat ze zullen inhouden. Dat is een uitdaging. Aan de andere kant heeft het zeker geen zin om nu jongeren op te leiden voor banen waarvan nu je al weet dat ze straks zijn verdwenen.’

Het gaat om techniekbanen op alle niveaus, vult Blankendaal aan. ‘Ik heb pas aan mijn achterban gevraagd hoeveel mensen ze de komende jaren zien vertrekken door de vergrijzing, en welke kritieke functies open komen te staan. Dan schrik je van de cijfers. We komen straks duizenden vakmensen op mbo-niveau te kort. We hebben de mond vol van hoogopgeleiden, maar die mbo-groep wordt vaak vergeten. Verspaners moeten we nu al uit het Baskenland halen. Je moet niet alleen een plek voor een beroepsbegeleidende leerweg creëren als de orderportefeuille goed is. Je moet het lef hebben om als het wat minder gaat toch die BBL’er aan te nemen en hem een vak te leren. Anders ben je hem kwijt. Voor iedereen moet duidelijk zijn dat als je voor techniek kiest, dat dat werkzekerheid betekent.’

Kangoeroe

Ook Karsmakers ziet een aantal risico’s. ‘Conceptueel is het dik in orde, maar we moeten versnellen. In vergelijking met Aziaten zijn Nederlanders conceptueel steengoed maar zwak in executie. Verder is een ondernemende managementethiek van belang. Niet alleen het resultaat telt, maar ook economisch en maatschappelijk succes op de langere termijn moeten medebepalend zijn. Investering in de toekomst, in succession planning, is cruciaal voor duurzaam succes. Het duurt wel even voordat een vakman zelfstandig op niveau kan werken. Bij ons is dat drie tot vier jaar. Dus je moet durven investeren voor later.’

‘Mkb’ers moeten zich vernetten zodat ze hun positie kunnen verdedigen tegen partijen met meer power’, vindt Rob Karsmakers. Foto: Bart van Overbeeke

En dan is er de kwestie van de financiën. Voor Smart Industry is in eerste instantie zo’n zestig miljoen euro nodig. Minister Kamp heeft wel toegezegd geld vrij te maken voor het initiatief, maar een hard getal heeft hij nog niet gegeven. Daarentegen reserveert president Obama miljarden voor de oprichting van Amerikaanse productiehubs. Duitsland steekt miljarden in Industrie 4.0. In Groot-Brittannië gaat het om achthonderd miljoen pond. ‘Wat dat betreft, is het in Nederland kangoeroemanagement: grote ambities, lege buidel. Boter bij de vis, a.u.b.’, zegt Blankendaal. Sol: ‘Inderdaad is de snelheid die ze in Den Haag kunnen ontwikkelen niet de snelheid die wij graag zouden willen.’

Dezentjé reageert strijdbaar: ‘De regering heeft gezegd de agenda te gaan uitvoeren, dus daar zal ik ze aan houden. Ik ben ervan overtuigd dat er een oplossing wordt gevonden. Minister Asscher weet zeshonderd miljoen bij elkaar te brengen voor ‘sectorplannen’. Nou, hier heb je zo’n sectorplan. Kom maar op, kabinet. Het bedrijfsleven is ook bereid een bijdrage te leveren. Met elkaar moeten we het doen. Dit is de banenmotor voor Nederland.’

Bedreiging

Willem Vermeend en Rick van der Ploeg onderschreven die visie recentelijk in de Telegraaf. Volgens de topeconomen is Smart Industry de enige weg om de benodigde economische groei van twee tot tweeënhalf procent te kunnen realiseren. Dezentjé: ‘De industrie heeft Nederland door de crisis geholpen. Dat zie je ook aan de exportcijfers. Ondernemers zijn blijven investeren, soms met grote tegenwind. Familiebedrijven hebben uit hun eigen vermogen geput om iedereen binnenboord te houden. Onze sector is nooit bezig geweest met hire and fire, want we hebben die vakkrachten keihard nodig.’

Volgens Karsmakers is het daarom belangrijk dat Smart Industry een publiek thema wordt. ‘Het is een stuk eenvoudiger om geld vrij te maken voor een maatschappelijk thema met draagvlak. Anders blijft het beperkt tot de happy few die in een Fieldlab knutselen.’ Zit het bij de politici wel goed tussen de oren? Minister Asscher legde dit najaar immers nog een bommetje onder de Nederlandse industrie door te stellen dat hij het niet onmogelijk acht dat robots een belangrijk deel van de banen zullen opslokken, zeker in de maakindustrie. Karsmakers: ‘Je kunt dat inderdaad opvatten als een fatalistische opmerking en bij de pakken neerzitten. Maar ik zie het als een waarschuwing dat de wereld verandert. Ook in Nederland kunnen we dat niet tegenhouden, dus pas je er maar op aan.’

Egbert-Jan Sol: ‘Günther Oettinger, de nieuwe eurocommissaris voor de digitale economie en samenleving, komt sterk op voor de maakindustrie.’ Foto: Bart van Overbeeke

Karsmakers juicht het juist toe dat er wat druk op de ketel komt. ‘Philips Drachten is vrij groot in Noord-Nederland. Als wij er niet aan trekken, bestaat het risico dat Smart Industry in de regio stilvalt. Dat is een lastige positie want ik wil niet te dominant zijn en de regie delen. Vijf jaar geleden ben ik al naar de provincie gestapt omdat ik me zorgen maakte. Nu begint het besef te ontstaan dat we een innovatief industrieel ecosysteem moeten stimuleren om toekomstige economische welvaart zeker te stellen. Mijn beeld is dat er nog niet genoeg drive en ambitie is om de kar snel in beweging te krijgen. Met z’n allen kunnen we nog te consequentieloos in onze comfortzone blijven zitten. Als je geen bedreiging voelt, blijft het steken. Ik ben wel enthousiast over de steeds betere samenwerking met overheden en onderwijsinstellingen.’

Symbiose

Blankendaal constateert dat de situatie in Eindhoven en omstreken anders is. ‘Het is een zegen dat we een aantal grote bedrijven in de regio hebben. Aan de andere kant maakt dat je wel eens gemakzuchtig. We hebben nu een aantal crisissen achter de rug en toeleveranciers zijn tot de conclusie gekomen dat ze zelf hun agenda moeten bepalen en hun eigen verantwoordelijkheid moeten nemen. In Noord-Nederland lijken de toeleveranciers nog niet op dat niveau. Wellicht kijken ze te veel naar Philips om de leiding te nemen. Ze moeten nadenken over de klant achter de klant en wat ze met hun competenties kunnen bijdragen. Het gaat om de wederkerige afhankelijkheid. Oem’s hebben er net zo goed belang bij. Zij kunnen hun omzet verdubbelen en de kosten halveren als ze slim samenwerken met de toeleveranciers.’

‘Voorwaarde is dat je een gebalanceerde keten hebt waarbij niet een of twee partijen het voor het zeggen hebben. Daar wordt de rest volgzaam van’, bevestigt Karsmakers. ‘Bij samenwerken hoort ook een mate van collectieve verantwoordelijkheid en wederzijds vertrouwen. Hoe ga je met elkaar om? Bedrijven die samenwerken, moeten volledig open en oprecht zijn.’

Sol: ‘Rondom Eindhoven is er een vertrouwensbasis ontstaan omdat iedereen elkaar kent. Daar is de drempel om samen te werken niet zo hoog, maar dat is in de rest van Nederland niet zo evident. De Fieldlabs moeten dat stimuleren. Daar zetten we bedrijven in de waardeketen bij elkaar; liever geen directe concurrenten want dat maakt het lastig.’

Dezentjé valt bij: ‘Mkb’ers hebben ontzettende schroom om samen te werken. Ik snap dat heel goed. Ze hebben vaak een concurrentiestrijd moeten leveren om hun positie te bereiken en nu moeten ze ineens met anderen samenwerken. Als ik die kennis ga delen, hoe regel ik dat dan? Maar het is absoluut nodig. Delen is het nieuwe hebben.’

‘Symbiose is het woord’, aldus Van Beers. ‘Je moet er allebei beter van worden. In het huidige krachtenspel is het lastig om die schroom van je af te schudden. Zeker bij leiderschap kan het verlammend werken. Kijk naar Nokia. Een van de voordelen van Nederlandse machinebouwers is dat ze flexibele systemen opleveren die meestal niet zijn bedoeld om grote massa’s te stampen. Dat vraagt om technologieën die je niet met je eigen engineers alleen kunt bedenken.’

Spekkoper

Naast Smart Industry in Nederland en Industrie 4.0 in Duitsland zijn er nog veel meer landen bezig met initiatieven op het gebied van internet of things en de fabriek van de toekomst. In Vlaanderen is alle research voor de maakindustrie bijvoorbeeld recentelijk gebundeld binnen het nieuwe instituut Flanders Make. Sol: ‘Günther Oettinger, de nieuwe eurocommissaris voor de digitale economie en samenleving, komt sterk op voor de maakindustrie. Zijn staf is druk bezig om te inventariseren wat er in Europa gebeurt en zet onderlinge discussies op.’ Ook Nederland bij monde van onder meer Dezentjé en Sol praat volop mee. ‘We zijn gezamenlijk op zoek naar hoe we ervoor kunnen zorgen dat niet ieder land opnieuw het wiel uitvindt.’

Het grootste Europese publiek-private partnerschap (PPP) is ‘Factories of the future’ met een budget van 1,2 miljard euro. Dezentjé: ‘Industrial renaissance leeft in Europa. Veel landen zijn ermee bezig en ik snap ook waarom. Ze zien allemaal in dat ze moeten produceren om te kunnen exporteren. Wellicht herinneren jullie de Lissabon-agenda; Europa zou in 2010 de meest concurrerende economie moeten zijn. Dat is niet gelukt omdat veel landen dachten het met een diensteneconomie te kunnen redden. De crisis heeft ons een ander beeld gegeven, namelijk dat het alleen lukt als we produceren. En als je slim produceert, ben je spekkoper. Europa ziet dat in, maar er liggen enorme uitdagingen. Wij moeten concurreren met de VS, waar zeer sterk wordt ingezet op productie. Als Europa moeten we daar de strijd mee aangaan. Tot nu toe is het nog niet gelukt om de handen echt ineen te slaan, dus de uitdaging is duidelijk. Maar het gevoel van urgentie is er, heb ik gemerkt. Ik zie het enthousiasme. We moeten elkaar op Europees niveau opzoeken rondom dit thema, de krachten bundelen en dan gaat er echt wat gebeuren. We staan op een kruispunt. Laten we met z’n allen de goede weg kiezen.’

Sol kijkt tevreden terug op de discussie: ‘Als we over Industrie 4.0 hadden gepraat, waren we uitgekomen op een discussie over standaardisatie en normering. Wij hebben het over het effect op de business, over aanpassingen, over samenwerken. Dat is ze in Duitsland nog niet gelukt, hoewel ze er inmiddels hard aan trekken.’ Nu is het zaak de vaart erin te houden en op alle niveaus – in het bedrijfsleven, in Den Haag, in het onderwijs – de knop volledig om te zetten.