TNO-test: exoskelet leidt tot minder belasting stukadoors

Alexander Pil
19 mei

TNO testte in samenwerking met Knauf de effectiviteit van een arm-ondersteunend exoskelet bij werkzaamheden van stukadoors. De tests vonden plaats in een gecontroleerde omgeving waar stukadoors tijdens het stuken nauwkeurig werden gevolgd. Metingen wezen uit dat bij stukadoors met een exoskelet de spieractiviteit van de armen 30 tot 40 procent minder was. De stukadoors ervoeren zelf ook een lagere belasting wanneer het exoskelet gedragen werd.

TNO testte in samenwerking met Knauf de effectiviteit van een arm-ondersteunend exoskelet bij werkzaamheden van stukadoors.

Het vak van stukadoor is een fysiek zwaar en overbelasting van spieren vormt een reëel risico. De stukadoor werkt zowel aan de muur, van onder tot boven, als aan het plafond, met verschillende houdingen en bewegingen. Het geteste exoskelet ondersteunt de arm, met een veermechanisme, bij werk met geheven armen. Het ondersteunende effect ervan werd eerder aangetoond in laboratoriumstudies, maar nog niet eerder in praktijksituaties. Door stukadoors realistische werkzaamheden te laten uitvoeren onderzocht TNO de effectiviteit van het gebruik van dit technologische hulpmiddel.

Tijdens de testdagen in de praktijkhal van de Nederlandse Ondernemersvereniging voor Afbouwbedrijven (NOA) in Veenendaa hebben elf stukadoors een muurtje en een plafond gestukt, een keer met en een keer zonder een exoskelet. De taken die werden geobserveerd, betroffen het aanbrengen van het gips, afreien en messen bij zowel de muur als het plafond. Tijdens het stuken werd de spieractiviteit tijdens de hele klus per taak gemeten. Daarnaast werd de stukadoors ook gevraagd naar de door hen ervaren belasting en naar de voor- en nadelen van het gebruik van het exoskelet.

‘Uit onze tests blijkt dat stukadoors baat hebben bij het gebruik van een exoskelet en dat zelf ook ervaren’, aldus TNO-onderzoeksleider Michiel de Looze. ‘Graag zouden we in de toekomst een uitgebreider vervolgonderzoek doen zodat we het effect op vermoeidheid, productiviteit en gezondheidseffecten over een langere periode kunnen monitoren.’