Van reshoring naar productiesoevereiniteit

Anton Duisterwinkel

6 november

Een van de vele gevolgen van de coronacrisis is dat het thema ‘reshoring’ weer hoog op de agenda komt. Ik hoor regelmatig mensen uit de industrie roepen: ‘Niet doen!’ Alles wat ook maar riekt naar protectionisme, zal leiden tot tegenmaatregelen die onze industrie meer schaden dan andersom, is de gedachte. We exporteren nu eenmaal meer dan we importeren. Grote bedrijven hebben – naar aanleiding van geopolitieke ontwikkelingen – hun toeleverketens gestructureerd per continent en kunnen waar nodig snel schakelen met hun inkoopmacht. En laten we realistisch zijn: voor grootschalige reshoring ontbreekt het in Nederland aan personeel, ruimte en investeringsmiddelen voor kosteneffectieve, dus volledig gedigitaliseerde productie.

Anton Duisterwinkel is senior businessdeveloper bij de Zuid-Hollandse ontwikkelingsmaatschappij Innovationquarter.

Daar is geen speld tussen te krijgen voor de grote oem’s, maar voor de vele midcap’s en mkb’s in Nederland liggen de zaken genuanceerder. Voor velen was de coronacrisis een wake-upcall. Toen China dit voorjaar niet meer kon leveren, moesten we in Europa op zoek naar alternatieven. Die blijken wel degelijk te bestaan, en nog goed en betaalbaar ook! Sommige bedrijven kopen nu standaard een deel van hun voorraad in Europa om te borgen dat de Europese toeleveranciers blijven bestaan. Dit moeten ondernemers natuurlijk zelf doen. Maar de overheid kan mkb’ers, startups en investeerders bewust maken van de kansen voor, en strategische voordelen van, productie in de EU. Het automatisme om gedachteloos naar China te rennen voor productie moet eruit. Dat kan de overheid doen zonder protectionistisch te worden.

Wat de Nederlandse, of liever de Europese, overheid vooral ook moet doen, is de eigen inkoopkracht slimmer inzetten. Een voorbeeld. In bijna alle datacenters in Nederland zit apparatuur van Huawei die de verbinding naar andere datacenters verzorgen. Door de grote interne markt in China kan het bedrijf daar snel innoveren en efficiënt produceren. Daarna kan het bedrijf de wereldmarkt veroveren met goede en betaalbare producten. Het risico op datalek naar China door dergelijke producten is net zo groot als met 5g – of groter. Een artikel in Trouw signaleerde dat probleem deze zomer, en riep vervolgens op om in Europa dergelijke systemen te ontwikkelen.

Maar we máken ze al! Technolution in Gouda ontwerpt en bouwt netwerkapparatuur op het hoogste beveiligingsniveau voor de Nederlandse defensie. Maar het kan nooit concurreren met Huawei buiten de defensiemarkt, omdat de Europese civiele markt volledig versnipperd is. Een Europese opdracht om voor alle datacenters in de EU beveiligde netwerkapparatuur te maken, zou van een bedrijf als Technolution ineens een wereldspeler maken – met betaalbaar, hoogwaardige én veilige producten. Overheid: gebruik je inkoopkracht.

Die netwerkapparatuur is een voorbeeld van een kritiek product. Kritieke goederen zijn niet alleen medische spullen in tijden van corona, maar alle zaken die we nodig hebben voor onze veiligheid en voorbestaan. Denk naast veilige communicatietechnologie ook aan water-, voedsel- en energievoorziening, deltatechnologie en (je durft het bijna niet te noemen) defensietechnologie. Wat kritiek wordt in geval van een crisis, valt nauwelijks te voorspellen – en zal vaak net wat anders zijn dan je eerder dacht. Wat hebben we nodig als de Russen de gasleidingen dichtzetten, de zeespiegel snel stijgt, bij extreme droogte of regenval, bij een ebola-pandemie of als op een zonnige, winderige dag het elektriciteitsnetwerk instort? Het is ondoenlijk dat allemaal op voorraad te hebben. En als de Chinezen het zelf nodig hebben, staan wij achteraan in de rij – als ze al willen leveren. Wat we nodig hebben, is niet reshoring van een zooi willekeurige producten, maar gerichte investeringen in productiesoevereiniteit: zelf in staat zijn om kritieke goederen snel en efficiënt te produceren.

Om productiesoevereiniteit te bereiken, moeten we als land (1) zorgen dat we zelf de grondstoffen in huis hebben. Ons eigen afval is daarvoor vaak al een mooie bron: recycling is the name of the game. (2) Zorgen dat we voldoende hernieuwbare energie onafhankelijk van netwerken en derden kunnen opwekken voor recycling en productie. (3) Een uiterst flexibel en efficiënt (dus digitaal) productienetwerk opzetten waarin we snel (bijna) alle denkbare producten zelf kunnen maken. Dat laatste is ook in ‘vredestijd’ zeer waardevol omdat het startups en bedrijven met nieuwe producten helpt hun time-to-market te verkorten – een van de belangrijkste succesfactoren van innovatie.

Het Smart Industry-programma biedt een prachtige opstap. Zowel uit het oogpunt van productiesoevereiniteit als uit het oogpunt van verdienvermogen is het een no-brainer voor de overheid om daarin te investeren. Om te beginnen maar eens een factor 10 meer dan nu.