‘Veiligheid is veel meer dan even een sticker plakken’

Nu de hekken tussen machines, robots en hun menselijke collega’s verdwijnen, worden vraagstukken rond machineveiligheid hoe langer hoe complexer. Het vakgebied komt tijdens hbo- en universitaire opleidingen echter nauwelijks aan bod. Tijdens een online seminar van Holland Robotics gaf Johan van Velthoven van NEN een introductiecollege.

Alexander Pil
19 mei

Een robot is niet zonder meer veilig als de robotfabrikant zegt dat hij veilig is. Zo’n classificatie snijdt pas hout als je de robot beziet als onderdeel van de toepassing waarin hij wordt gebruikt. Als hij in een slachterij komt te werken en allerlei scherpe messen vasthoudt, doet het veiligheidsstempel van de robotfabrikant nauwelijks nog ter zake. Er is een compleet nieuwe risicoanalyse vereist.

Tijdens de online themasessie ‘Veilig werken met cobots en robots op de werkvloer’, georganiseerd door brancheorganisatie Holland Robotics, innovatieplatform Itanks, veiligheidskundevereniging NVVK, normalisatie-instituut NEN en kennisinstelling TNO, ging Johan van Velthoven in op de problematiek. De manager Industrie & Veiligheid bij NEN stelt dat het zorgdragen voor een veilige robot of machine grofweg in twee fases uiteenvalt. ‘Ten eerste de ontwikkeling en het in de markt zetten, ten tweede het dagelijkse gebruik’, aldus Van Velthoven. ‘Dat zijn twee duidelijk onderscheidbare fases waarvoor ook verschillende regels gelden.’

De verantwoordelijkheid ligt in de ontwerpfase bij de fabrikant. Die moet zorgen dat hij een veilige machine op de markt zet.

Alle producten die in Nederland op de markt verschijnen, moeten uiteraard aan de wet voldoen. Ook voor de Europese markt gelden essentiële veiligheids- en gezondheidsregels. ‘Daarbij gaat het niet alleen om de bescherming van mensen, maar ook om bijvoorbeeld het milieu’, weet Van Velthoven. ‘Als een product aan die Europese richtlijnen voldoet, mag het op de interne markt worden gebracht.’ Onderling hebben de EU-landen afspraken gemaakt, waardoor de Nederlandse warenwet akkoord geeft als systemen ergens in de unie langs de beoordelingslat zijn gelegd. Overigens wil dit niet altijd zeggen dat je zo’n systeem ook daadwerkelijk mag gebruiken. ‘Kijk naar die elektrische stepjes die je steeds vaker ziet. Die mogen worden verkocht, maar het is in Nederland niet toegestaan om ze op de openbare weg te gebruiken.’

Zelfkeuring

De Machinerichtlijn is in de basis heel simpel, aldus Van Velthoven. ‘Hij schrijft voor dat een product veilig moet zijn ontworpen voor de gehele levenscyclus, dus inclusief gebruik en ontmanteling. De verantwoordelijkheid ligt in de ontwerpfase bij de fabrikant. Die moet ervoor zorgen dat de machine die hij op de markt zet, ook veilig is.’ Bij een machine die van buiten de EU komt, is de importeur verantwoordelijk. ‘Een fabrikant moet zijn claim onderbouwen in een constructiedossier. Daarin legt hij al zijn overwegingen op het gebied van veiligheid vast. Dat begint altijd met een risicoassessment. Tijdens het ontwerp moet hij maatregelen nemen tegen de herkende risico’s. En bij eventuele restrisico’s moet de fabrikant dat via de handleiding goed duidelijk maken richting de gebruiker.’

 advertorial 

Laatste kans om uw ticket te bemachtigen! 25-jarig jubileum INCOSE NL

Koop nu uw ticket voor het 25-jarig jubileum van INCOSE NL. Het event zal op locatie plaatsvinden (Van der Valk Hotel Vianen), en tevens online uitgezonden worden op 23 september 2021. Bekijk het programma en koop nu uw standaard of online ticket.  

Het constructiedossier, de handleiding en de zogeheten conformiteitsverklaring – waarin de fabrikant onderschrijft dat hij aan de regels heeft voldaan – zijn wettelijke eisen als je een product wilt lanceren. De meeste leveranciers verzorgen dit in eigen beheer. Een slager die zijn eigen vlees keurt dus? ‘Ja, maar zelfkeuring is niet zomaar even een stickertje plakken’, benadrukt Van Velthoven. ‘Een fabrikant neemt de verantwoordelijkheid op zich door officieel te verklaren dat hij vindt dat het product volledig aan de wet voldoet.’ Hij is daardoor ook juridisch aansprakelijk als er iets misgaat. Voor systemen met een verhoogd risico, die echt gevaar kunnen opleveren, is zelfkeuring overigens niet toegestaan en moet een fabrikant zijn systeem laten certificeren door een zogenaamde notified body.

Systeemintegratie

Wat gebeurt er als er aanpassingen worden gedaan aan het systeem? ‘Als er iets substantieels wordt gewijzigd – dus dan heb ik het niet over een andere kleurtje lak erop – verschuift de verantwoordelijkheid naar degene die de wijziging heeft doorgevoerd. Die wordt dan gezien als de fabrikant van de machine 1.1’, legt Van Velthoven uit.

Diezelfde overdracht van verantwoordelijkheid geldt voor systeemintegratoren die robots of cobots gebruiken als onderdeel van een grotere installatie. ‘Dat bedrijf wordt de machinebouwer en moet het systeem in zijn totaliteit opnieuw beoordelen: risico’s analyseren, een dossier opstellen, et cetera. Voor een deel kan hij daarbij voortborduren op de veiligheidsdocumenten van de componenten die hij gebruikt.’

In de praktijk blijkt dat nog weleens lastig. Fabrikanten zijn namelijk niet verplicht om hun constructiedossiers vrij te geven. ‘Daar kan immers het geheim van de smid in staan’, verklaart Van Velthoven. ‘Alleen als er onverhoopt iets fout gaat, kan bevoegd gezag, bijvoorbeeld de Arbeidsinspectie, het dossier opvragen. Richting klanten en gebruikers heeft een fabrikant die verplichting niet.’

Ventilator

Gelukkig hoeft een fabrikant niet elke keer het veiligheidswiel opnieuw uit te vinden als hij een product lanceert. ‘De Europese Commissie heeft nog een instrument in het leven geroepen’, weet Van Velthoven. ‘Dat zijn de geharmoniseerde normen die een detailuitwerking van de regelgeving bevatten. Fabrikanten kunnen daarvan gebruikmaken en ervan uitgaan dat ze aan de wet voldoen als ze die normen hanteren.’ Hij geeft een voorbeeld: ‘Je kunt natuurlijk zelf onderzoeken hoe groot de gaten mogen zijn in de afrastering van een ventilator, maar dat is veel werk. Handiger is het om de norm erbij te pakken en je daaraan te conformeren. Dan weet je dat je goed zit.’

Voor nieuwe ontwikkelingen en innovaties is dat lastiger. De bewijslast ligt dan volledig bij de fabrikant. Wet- en regelgeving ligt per definitie achter op de technische vooruitgang. De Machinerichtlijn is na twintig jaar nu in herziening. Voor de zomer moet de nieuwe tekst er liggen – voor regelgeving die pas over een paar jaar van kracht zal worden. Er zullen onder meer eisen worden opgenomen rondom cybersecurity en artificial intelligence.

‘Proactieve wetgeving is heel lastig’, beseft Van Velthoven. ‘Het bedrijfsleven heeft echter wel de ruimte om binnen de grenzen van de regelgeving creatief en innovatief te zijn. En dus ook om nieuwe technologie te ontwikkelen waarvoor nog geen normen of wetten bestaan.’

‘Je kunt ook niet elk jaar een nieuwe Machinerichtlijn introduceren’, gaat hij verder. ‘Wel wordt er steeds meer gewerkt met doelen. Een machine – en dus ook een robot – mag bijvoorbeeld niet uit zichzelf weer opstarten als hij is gestopt. Hoe je dat als fabrikant of systeemintegrator oplost, laat de wetgever helemaal open.’

De normen bewegen meestal nog wat sneller dan de wetgeving. ‘Kijk naar cobots. Daar zit nog zo veel groei en ontwikkeling in dat het nog niet is omarmd door wetten, maar er zijn al wel normen in het leven geroepen’, zegt Van Velthoven.

Periodieke check

Dan naar de tweede fase: hoe hou je een systeem veilig als het eenmaal in het veld staat te draaien? ‘Dan gaat een heel andere wetgeving zich ermee bemoeien: de Arbeidsomstandighedenwet’, vertelt Van Velthoven. ‘Die Arbo-wet vertrekt vanuit een ander punt. Hij legt de verantwoordelijkheid voor een veilige werkomgeving bij de werkgever. Die moet zorgen voor veilige arbeidsmiddelen.’

De risico-inventarisatie van de situatie op de werkvloer is geen eenmalige exercitie. ‘Periodiek moet een werkgever bekijken of alles nog op orde is. De stand der techniek kan zich hebben ontwikkeld waardoor we tot nieuwe inzichten zijn gekomen. Of de machines en andere arbeidsmiddelen kunnen door veroudering niet meer veilig zijn’, legt Van Velthoven uit.

Kan dat betekenen dat een machine die bij de introductie vijf jaar geleden volgens de toenmalige kennis veilig was nu ineens niet meer voldoet? ‘Zo snel gaat de technologie meestal nou ook weer niet’, lacht Van Velthoven, ‘maar bij een machine van vijfentwintig jaar oud kan het absoluut zo zijn dat er toch echt wat aan moet gebeuren.’ Dat vraagt om aanpassingen, waardoor de verantwoordelijkheid voor de machineveiligheid verschuift. ‘Op zich is dat niet erg, maar je moet wel verstand van zaken hebben. Of weten waar je die kennis kunt halen.’