Waarom voedselproducenten niet zonder digitalisering kunnen

De hedendaagse consument weet wat hij wil en hij wil het nu. Voor voedsel- en drankproducenten creëert dit een dringende behoefte om wendbaarder te worden en beter in te spelen op de vraag van de markt. Met Sander van Dasselaar van Schneider Electric bespreekt Mechatronica&Machinebouw de nood aan en de baten van digitalisering.

Alexander Pil
29 september

De voedingsmiddelen- en drankenindustrie is hard toe aan operationele en efficiëntieverbeteringen. In 2018 was het volgens onderzoek van Gartner nog zo dat slechts een klein percentage van de bedrijven de mogelijkheden op het gebied van data-analyse en businessintelligence echt benutte. Zeker het afgelopen anderhalf jaar is echter een kentering zichtbaar. ‘In de coronatijd zijn bij veel eindgebruikers en machinebouwers de ogen opengegaan’, zegt Sander van Dasselaar, vicepresident Industry voor België en Nederland bij Schneider Electric. ‘Ze hebben aan den lijve ondervonden hoe lastig het is als een leverancier in geval van een onderhoudsbeurt of storing niet fysiek naar een machine kan komen. Bij bedrijven die nog geen remote-mogelijkheden hebben, groeit daarom de vraag naar Smart Industry-technologieën.’ En dat is maar goed ook, vindt hij. ‘Het succes van voedsel- en drankenproducenten in de toekomst wordt gedreven door de slimme investeringen in digitalisering van vandaag.’

‘In de coronatijd zijn bij veel eindgebruikers en machinebouwers de ogen opengegaan’, zegt Sander van Dasselaar van Schneider.

Van Dasselaar raadt bedrijven in de food & beverage-markt (F&B) aan om werk te maken van Industrie 4.0-technieken en -concepten, zoals industriële edge computing en iot-systemen waarmee ze it- en ot-systemen kunnen convergeren, de toeleverketen en productiesystemen kunnen automatiseren en meer inzicht in het productieproces krijgen. ‘Binnen de hekken van hun eigen fabriek hebben de grotere spelers al veel op de rit’, weet Van Dasselaar. ‘Via dashboards hebben ze goed zicht op de performance van hun productielijnen. Maar dat is nog geen slimme fabriek; Industrie 4.0 is een stapje verder.’

Schneider werkt in zijn eigen fabrieken ook aan de uitrol van Smart Industry. ‘Waar we zelf tegenaan lopen, is dat we in de wereld best een paar oudere fabrieken hebben staan. Daar is de stap naar slimme productie allesbehalve evident’, vertelt Van Dasselaar. ‘Ook in F&B heb je daar veel mee te maken.’

Wendbaar en flexibel

Traditioneel is de productie van voedingsmiddelen en dranken namelijk sterk gebaseerd op silovormige infrastructuren: stand-alone oplossingen in verschillende delen van de fabriek die niet of nauwelijks met elkaar communiceren. Nog altijd draaien veel productieplants op een Scada-systeem, inmiddels een wat verouderde oplossing waarin het ontbreekt aan goed inzicht, data-acquisitie en beheermogelijkheden op afstand. Allemaal zaken die vereist zijn in moderne fabrieken. Oplossingen zoals Scada zijn bovendien afhankelijk van handmatige processen om apparatuur te bewaken, productieprestaties te beoordelen en andere taken uit te voeren, waardoor de kans op fouten en uitvaltijd groot is.

‘Met Scada reageer je op wat er gebeurt’, legt Van Dasselaar uit. ‘Je wilt toe naar een situatie waar je beslissingen kunt nemen aan de hand van goed onderbouwde voorspellingen. Daarop is Scada onvoldoende voorbereid, maar in de toekomst moeten fabrieken zich echt ontwikkelen richting asset performance en predictive en preventive maintenance.’

Om wendbaarder te worden, zouden voedsel- en drankproducenten er goed aan doen om industriële automatiseringssystemen te centraliseren en zich daarbij te richten op edge computing-netwerken die dataverwerking en -analyse dichter bij de gebruiker brengen en realtime taken faciliteren. Deze investeringen zullen hen helpen inzicht te krijgen in hun activiteiten, vanaf de binnenkomst van de grondstoffen, via productie tot het vullen, verpakken en verzenden.

Uptime

Een uitdaging in veel markten, maar zeker in F&B, zijn de kosten. De notoir dunne marges van de sector maken het lastig om grote budgetten vrij te maken voor zoiets als Industrie 4.0, dat niet direct geld in het laatje brengt. ‘Toch wordt het steeds noodzakelijker’, stelt Van Dasselaar. ‘Het belangrijkste argument om de stap te zetten, is uptime.’ Producenten moeten hun fabrieken steeds vaker automatisch laten draaien om te kunnen inspelen op de vraag vanuit de markt naar nieuwe en geïndividualiseerde producten. ‘Je kunt er allerlei rekensommetjes op loslaten om te zien wat zo’n investering jou brengt en hoeveel meer producten er dan van de lijn rollen. Uiteindelijk zal de verbeterde uptime de doorslag geven om toch met digitalisering aan de slag te gaan.’

Een verbeterde uptime zal voor twijfelende bedrijven de doorslag geven om toch met digitalisering aan de slag te gaan.

Voedings- en drankenfabrikanten die hun productiefaciliteiten hebben gemoderniseerd, krijgen bovendien de flexibiliteit om productwijzigingen door te voeren zonder dat ze hun productielijnen hoeven stil te zetten. Bij Calvé kunnen klanten bijvoorbeeld gepersonaliseerde pindakaaspotten bestellen met hun eigen naam erop. En een bedrijf als Coca Cola heeft zichzelf de mogelijkheid gegeven om snel wijzigingen in zijn productieproces aan te brengen zodat het een uitgebreid palet aan smaken kan leveren.

Openheid

Een andere belangrijke trend betreft voedselveiligheid en traceerbaarheid, waardoor producenten een volledig beeld krijgen van de toeleverketen en de productie. De mogelijkheid om alles te volgen, van de leveranciers van de ingrediënten tot de productie en de levering, is cruciaal. Als er ergens in het proces contaminatie optreedt, wil een producent snel kunnen achterhalen waar deze is opgetreden en waarom. Als een terugroepactie nodig is, moet hij snel productiegegevens raadplegen, zien wat het probleem heeft veroorzaakt en het oplossen. Dat kan alleen als hij het hele proces goed heeft gedigitaliseerd.

Voor F&B-bedrijven ligt die openheid naar de keten erg gevoelig. ‘De recepten die ze gebruiken, zijn de kern van hun business’, verduidelijkt Van Dasselaar. ‘Ze zijn daarom heel terughoudend om buitenstaanders toegang te geven tot hun systemen, zeker als het niet de kern van hun productieproces betreft.’ Veel partijen kiezen er daarom voor om hun machinedata naar de cloud te uploaden. ‘Dat is eenrichtingsverkeer en net zo veilig als internetbankieren. Als er dan wat gebeurt, hoeft de machineleverancier niet op locatie te komen, of een hele dag een open internetverbinding te hebben, maar kan hij eerst de gegevens in de cloud analyseren en oplossingen zoeken. Daarna hoeft hij alleen toegang tot het fabrieksnetwerk voor de duur van het herstel.’

‘Machinebouwers moeten die functionaliteit natuurlijk wel in hun systemen hebben geïntegreerd’, benadrukt Van Dasselaar. ‘Om te beginnen, moeten hun machines in staat zijn om waardevolle data te genereren, onder meer door de cruciale modules van voldoende sensoren te voorzien.’

Controlekamer

In de toekomst verwacht Van Dasselaar een overgang van capex naar opex. Hij legt uit: ‘Normaal investeert een bedrijf in een verpakkingslijn van tienduizend euro. Dat is echter niet zijn corebusiness, dus hij wil die uitgaven graag naar de operationele kosten duwen. Met een machinebouwer maakt hij dan afspraken over de performance van de machine en rekent op basis daarvan af.’

Van Dasselaar geeft toe dat nog weinig gebruikers en leveranciers dat businessmodel gebruiken. ‘Het is nieuw, maar de technologie is er’, zegt hij. ‘Er zitten wel wat haken en ogen aan die partijen onderling moeten gladstrijken. Als een machinebouwer remote een softwareverbetering doorvoert waardoor het systeem 10 procent meer produceert, wat betekent dat dan voor de rekening die hij mag sturen? In de Smart Industry-gemeenschap wordt er over dat soort zaken gediscussieerd want het is de toekomst.’

Vooral voor machinebouwers vergt zo’n businessmodel heel wat aanpassingen. ‘Ze moeten goed zicht hebben op al hun systemen’, aldus Van Dasselaar, die vindt dat machinebouwers met hun huidige servicemodel nog te veel kansen laten liggen. ‘Ik vraag me weleens af waarom dat soort bedrijven geen controlekamer hebben, een ruimte met een groot scherm waarop alle machines in het veld zichtbaar zijn. Met een simpele weergave via bijvoorbeeld een stoplicht kunnen ze snel zien hoe de machines in het veld presteren en snel contact opnemen als dat nodig is.’

Wie durft?

Het mag duidelijk zijn dat veel bedrijven in de voedingsmiddelen- en drankenmarkt aan de bak moeten en digitalisering moeten omarmen. ‘Het is zaak om elkaar op te zoeken en niet alles zelf te doen’, adviseert Van Dasselaar. ‘Vooral ook omdat je het met de complete keten moet verwezenlijken. Eindgebruikers, machinebouwers en technologieleveranciers moeten samen aan tafel en samen de digital journey aangaan. Wat kunnen we al? Wat willen we? En hoe komen we daar?’

‘Wil het een succes worden, dan moet iedereen open communiceren’, gaat Van Dasselaar verder. ‘Dat is best een uitdaging want iedereen is voorzichtig. Het is een kwestie van vertrouwen in elkaar om de stappen te zetten. De technologie is daar. Wie begint, wie durft?’